Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft gesproken
Door: Jada G.F.G. Blomont
Op 21 april 2026 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’) uitspraak gedaan in de zaak Y.F.C. and Others v. the Netherlands. In die zaak stond de detentie van Venezolaanse migranten op Curaçao centraal. Het Hof heeft vastgesteld dat sprake is van schendingen van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (‘EVRM’), het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling, en artikel 5 lid 4 EVRM, het recht om de rechtmatigheid van detentie door een rechter te laten toetsen.
Voor velen klinkt dat als een technisch juridisch oordeel. In werkelijkheid raakt de uitspraak aan twee fundamentele pijlers van de rechtsstaat: de controle op het gebruik van geweld door de autoriteiten en de effectieve toegang tot de rechter voor personen die in detentie worden gehouden. Juist in situaties waarin de overheid iemand zijn vrijheid ontneemt, gelden de zwaarste waarborgen. Deze zaak laat zien wat er gebeurt wanneer die waarborgen in de praktijk onvoldoende functioneren.
De feiten en het oordeel van het Hof
De zaak gaat terug naar april 2019. Zeven Venezolaanse migranten werden op zee onderschept en vervolgens op Curaçao in vreemdelingendetentie geplaatst. Tijdens hun detentie heeft zich op 9 juni 2019 een incident voorgedaan waarbij personeel van het detentiecentrum rubberkogels heeft gebruikt om onrust onder controle te krijgen.
Het Hof heeft niet geoordeeld dat elk gebruik van geweld in die situatie per definitie onrechtmatig was. Dat is een belangrijk uitgangspunt: het EVRM sluit het gebruik van geweld door de autoriteiten niet uit. Wel stelt het strikte voorwaarden. Geweld moet noodzakelijk zijn, proportioneel en adequaat gemotiveerd.
In deze zaak oordeelde het Hof dat ten aanzien van een aantal betrokkenen het toegepaste geweld niet voldoende was gerechtvaardigd. Daarnaast stelde het Hof vast dat het daaropvolgende onderzoek naar het incident niet voldeed aan de vereisten van onafhankelijkheid en effectiviteit. Het onderzoek was uitgevoerd binnen dezelfde structuur als waar het incident had plaatsgevonden en bood onvoldoende waarborgen voor een objectieve beoordeling.
Daarmee is sprake van een schending van artikel 3 EVRM, niet alleen vanwege het geweld zelf, maar ook vanwege het ontbreken van een adequaat onderzoek daarna. In het mensenrechtenrecht zijn die twee nauw met elkaar verbonden. Juist omdat geweld zich vaak onttrekt aan directe controle, is een onafhankelijk onderzoek essentieel om verantwoording mogelijk te maken.
Controle op staatsgeweld
De betekenis van dit oordeel ligt niet alleen in het incident zelf, maar in het bredere juridische principe dat eraan ten grondslag ligt. Personen in detentie bevinden zich volledig onder het gezag van de autoriteiten. Dat brengt een verzwaarde verantwoordelijkheid met zich mee. Authoriteiten moeten niet alleen voorkomen dat disproportioneel geweld wordt gebruikt, maar moeten ook achteraf kunnen aantonen dat het gebruik van geweld gerechtvaardigd was.
Daarvoor is onafhankelijk toezicht noodzakelijk. Wanneer het onderzoek naar geweldsgebruik wordt uitgevoerd door dezelfde instantie die bij dat geweld betrokken is, ontstaat een structureel probleem. Het Hof maakt duidelijk dat in zo’n situatie niet wordt voldaan aan de eisen van het Verdrag.
Deze overweging heeft een bredere reikwijdte dan deze specifieke zaak. Zij raakt aan de manier waarop toezicht op detentie en geweldsgebruik is georganiseerd. Zonder onafhankelijke controle verliest het systeem een essentieel correctiemechanisme.
Toegang tot de rechter: een praktische toets
Naast artikel 3 heeft het Hof een schending vastgesteld van artikel 5 lid 4 EVRM. Deze bepaling waarborgt dat iemand die van zijn vrijheid wordt beroofd de mogelijkheid heeft om die vrijheidsbeneming snel door een rechter te laten toetsen.
In de Curaçaose praktijk bestond een dergelijke procedure. Toch oordeelde het Hof dat sprake was van een schending. De reden daarvoor is illustratief voor de manier waarop het Hof naar rechtsbescherming kijkt.
De betrokkenen hadden in de eerste fase van hun detentie geen toegang tot juridische bijstand. Zonder die bijstand konden zij feitelijk geen gebruik maken van de beschikbare procedure. Daarmee was het recht op rechterlijke toetsing in de praktijk niet effectief.
Het Hof maakt hier een principieel onderscheid dat verder reikt dan deze zaak. Rechtsbescherming wordt niet beoordeeld op basis van wat formeel mogelijk is, maar op basis van wat feitelijk toegankelijk is. Een procedure die bestaat, maar niet kan worden gebruikt, voldoet niet aan de eisen van artikel 5 EVRM.
Voor detentiepraktijken is dit een essentieel punt. De eerste fase van detentie is vaak bepalend. Juist dan moet duidelijk zijn of de vrijheidsbeneming rechtmatig is. Als toegang tot een advocaat in die fase ontbreekt, wordt die toetsing in feite uitgesteld of onmogelijk gemaakt.
Geen algemene veroordeling, wel duidelijke normen
Het is belangrijk om te benadrukken dat het Hof niet alle klachten van de betrokkenen heeft gehonoreerd. Klachten over de rechtmatigheid van de detentie als zodanig en over detentieomstandigheden zijn niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is dus geen algemene afkeuring van het gehele detentiesysteem op Curaçao.
Wat betekent dit voor Curaçao?
Formeel is het Koninkrijk der Nederlanden verantwoordelijk voor de naleving van het EVRM. Dat volgt uit de internationale rechtsorde. In de praktijk ligt de uitvoering van detentiebeleid en procedures echter bij Curaçao zelf.
De consequenties van deze uitspraak zullen zich daarom vooral daar moeten vertalen in concrete maatregelen. Dat vraagt om meer dan algemene beleidsvoornemens.
Ten aanzien van artikel 3 betekent dit dat geweldsincidenten in detentie onderworpen moeten zijn aan onafhankelijk onderzoek. Dat vereist een structuur waarin onderzoek plaatsvindt buiten de hiërarchie van de betrokken diensten. Interne rapportages alleen zijn niet voldoende.
Ten aanzien van artikel 5 lid 4 betekent dit dat toegang tot juridische bijstand vanaf het begin van detentie daadwerkelijk moet zijn gewaarborgd. Niet in theorie, maar in de praktijk. Zonder die toegang verliest rechterlijke toetsing haar betekenis.
Daarnaast ligt er een bredere vraag over normstelling en toezicht. Het Hof benadrukt impliciet het belang van duidelijke kaders en controlemechanismen. Dat is niet alleen van belang voor de bescherming van gedetineerden, maar ook voor de rechtspositie van personeel en de legitimiteit van het systeem als geheel.
Tot slot
De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is geen politiek oordeel, maar een juridisch ijkpunt. Zij maakt zichtbaar waar de grenzen liggen van wat in een detentiesysteem toelaatbaar is.
Die grenzen zijn niet vrijblijvend. Zij vloeien voort uit internationale verplichtingen die ook voor Curaçao gelden als onderdeel van het Koninkrijk.
Photo by Markus Spiske on Unsplash